Alban Elfed

 

De Poort van de Herfst

Het Wiel draait en met de regen en de winden die hier en daar al een 
verkleurd blad meevoeren, nadert de Poort van de Herfst, Alban Elfed.

Myriaden druppels en kleine stroompjes vloeien van het
machtige gewei van het Grote Hert, glinsterend in een heldere, maar afnemende zon die de nevelen van de aarde oproept.

Statig vertoevend bij de glimmende bast van de Grote Boom, kijkt het zwijgend kijkt toe hoe dit helderste water de Grote Klankketel vult aan de voet van de eerste, machtig kronkelende Wortel, die deze woudreus, de grootste van alle, stevig in de Aardemoeder verankerd houdt.

En met het glinsterend geklater van het water verschijnt in zijn herinnering de 
fonkelende, knetterende Vuren die hevig brandden tijdens Beltaine.

Daar zag het Hert zich staan als de Gehoornde, in de kracht van de Grote Jager, vlammend van vurige passie. En vóór hem rees de Vrouwe, Maagd van het Land op het stormig getij van zowel verlangen en belofte.
Hun vurige Vereniging bracht haar zijn Zaad, maar hij voelde en wist dat op 
dat moment ook in hem een zaad was geplant: het zaad van opoffering en overgave.

En zijn Vuur rijpte.

Het Wiel draaide. En op het hoogtepunt van zijn kracht, op een hoge heuvel, schouder aan schouder met zijn Vrouwe uitkijkend over het in fel zonlicht badend Land, zagen ze een zwarte flakkering van een kleine donkere figuur. 
Daar was de antagonist. 
De Kroon was verdwenen van het hoofd van de Eikenkoning. Koning Hulst had zijn intrede gemaakt, en vanaf dit moment van de Zomerzonnewende, zouden de nachten weer lengen. En de Gehoornde wist, dat de tijd van zijn Offer langzaam daagde aan de horizon.

En zijn Vuur rijpte.

En toen het Wiel die bewuste dag van Lughnasadh had aangebracht, gaf hij zijn 
leven voor het toekomstige leven. Hij werd afgesneden tot voedsel voor de 
Stammen, en verzameld als zaailing voor het nageslacht:

in elke zaadkorrel rustte een parel van zijn bewustzijn.

Maar zijn dood betekende niet zijn vernietiging. Hier was hij, het Grote 
Hert, van wie het Draaiende Wiel stromen van Levend Water uit zijn Gewei 
deed vloeien. Hier, aan de vooravond van de Herfst Poort, waar de 
heerschappij van Vuur zijn einde neemt en die van Water begint.

Hij tuurt nogmaals rond, de veranderingen van het Land in zich opnemend, en richt zich op in zijn mensenvorm, de Speer in zijn hand wegend en balancerend. De 
omgang met zijn Vrouwe, die nu volop vrucht draagt, had zijn Vuur vervolmaakt. 
Met Beltaine viel hij nog helemaal samen met de ongebreidelde 
passie van het Vuur, brandend doorheen zijn opgerichte lid. De Heer van de
Nwyfre, Slang en Draak had voor de Ketel van de Vrouwe gestaan, en zoals 
elke man die zich ontvankelijk stelt voor het Mysterie van dit Vat, en er 
durft in te kijken en eruit drinkt, was hij veranderd terug gekeerd. Het 
Vuur van de Phallus was vervolmaakt tot het Vuur van de Speer. De Speer van zijn Wil. Dominantie over het Vuur.

Eindelijk Heer van het Vuur!

En terwijl hij de Speer ten hemel richt, en vervolgens haar punt in de aarde 
plant, roept hij het Vuur binnen zijn eigen gemaakte Grens.

En hij glimlacht, want als hieraan gevolg gevend verschijnt bij de tweede Wortel van de Grote Boom langs welks zijn machtige stam hij nog steeds staat, het stille, mysterieuze Meer van Mimir.
Dauw verzamelt zich op de bladeren van de Grote Boom, en regent gestaag in grote druppels op zijn huid, op de grond, op de Vrouwe en in het Meer.

Eens de Herfst Poort doorgegaan, zal dat Meer samenvallen met het Meer van de Bron 
van Segais waar de Hazelaars zijn, en voor het geestesoog van het Hert glimt daar al even onder dat wateroppervlak de Oude Zalm, Heer van Wijsheid en Water, Heer van het Westen en Herfst. En hij weet: alles wordt reeds in gereedheid gebracht voor hij die zijn oog zal geven aan de Wachter van dit Meer, aan hij die zich tot de Zalm zal 
richten. En door elke vezel van zijn bestaan voelt hij het draaien van het Wiel.

Stil en donker ligt nu dat Meer.
Diep, diep onder het wateroppervlak, waar de nacht van het leven heerst, diep in de onderaardse grotten van de wereld van Annwn, zit roerloos de Hulstkoning, langzaam groeiend op zijn Troon. En naast hem, een lege Stenen Zetel die wacht tot Samhuin, en de komst van Oude Moeder.

Het Wiel draait.

Herfst

 

Het Wiel draait, en de natuur is nu volop in haar herfstkleed getooid. De bomen laten hun bladeren los en keren zich naar binnen. De typische zonnestanden accentueren het beschouwelijke en reflectieve karakter van deze tijd. Wanneer de zon nu z'n gelaat toont, verschijnt alles in een clair-obscuur dat veel harder is dan in de rest van het jaar. Tijd om de innerlijke dualiteiten te beschouwen. Ook tijd om de grenzen te controleren die nodig zijn uit zelfbehoud, zowel mentaal als fysiek. Het water der emoties nadert de concreetheid van steen. Alles wordt stilaan harder, de Winter komt er aan. De Grote Beer wint aan kracht, de Gehoorende roert zich, het zaad in de donkere baarmoeder der Aarde gaat z'n diepe slaap in, zoals vele zaden eerst een moment van strenge kilte moeten ervaren, om hun kiemkracht voor de latere nieuwe zon startensklaar te maken. De Zalm der Wijsheid uit de herfst bereidt ons voor op de confrontatie met de harde kracht van de Beer uit de winter, waaruit het Zwaard en de Havik van het ochtendgloren der lente als een stille belofte opnieuw zal herrijzen. Het heldere van de duisternis gloort. Ga nu in schoonheid de dood in, het oude is klaar, de belofte wacht reeds..